Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011’.
TOELICHTING OP DE VERORDENING NADEELCOMPENSATIE ARNHEM 2011
Algemene toelichting
Grondslag nadeelcompensatie
Een zekere mate van overlast of financieel nadeel ten gevolge van rechtmatig overheidshandelen dient te worden beschouwd als een normale maatschappelijke gebeurtenis, waarmee iedereen kan worden geconfronteerd.
De nadelige gevolgen van dergelijk rechtmatig overheidshandelen behoren in beginsel voor rekening van betrokkenen te blijven. Daarbij mag van de betrokkenen én van de overheid worden verwacht dat zij proberen het eventuele nadeel waar mogelijk te beperken. Dit neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een feitelijke handeling of maatregel dermate zwaar wordt getroffen dat dit nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de getroffene kan blijven.
Er bestaat geen algemene wettelijke regeling voor die gevallen van nadeel ten gevolge van een rechtmatige overheidsdaad, waarvoor geen specifieke wettelijke regeling (zoals de regeling opgenomen in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening) voorhanden is. (Een studiegroep onder leiding van Prof. M. Scheltema, regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuursrecht, heeft een wetsvoorstel gemaakt waarin nieuwe regels staan voor het overheidsaansprakelijkheidsrecht, het Voorontwerp van wet “Nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten” van 4 mei 2007. Bij het opstellen van de Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011 is bij dit voorontwerp aansluiting gezocht.)
Wel blijkt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op een verzoek om schadevergoeding, voor zover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust op het – mede aan art. 3:4 lid 2 van de Awb ten grondslag liggende – rechtsbeginsel van "égalité devant les charges publiques" (gelijkheid voor de openbare lasten). Op grond van dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige – buiten het normale maatschappelijk risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.
Reden voor vaststelling van de regeling
Het staat de (gemeentelijke) overheid binnen de grenzen van behoorlijk bestuur vrij, van geval tot geval te bekijken hoe zij met verzoeken om buitenwettelijke schadevergoeding omgaat.
Wanneer echter meerdere verzoeken om nadeelcompensatie worden verwacht, kan het raadzaam zijn reeds vooraf in een nadeelcompensatieregeling vast te leggen hoe de gemeente met dergelijke verzoeken om zal gaan.
Voor het project Arnhem Centraal was in 1997 al een nadeelcompensatieverordening vastgesteld. In 2003 is deze verordening geïntegreerd in een nieuwe nadeelcompensatieverordening die weliswaar in principe voor de gehele gemeente van toepassing is, maar waarbij het college van burgemeester en wethouders van geval tot geval beslist voor welk project de verordening van toepassing is. Zo heeft het college de verordening van toepassing verklaard op het project Musiskwartier, naast het project Arnhem Centraal.
De praktijk heeft echter geleerd, dat ook voor incidentele gevallen buiten deze projecten aanvragen om nadeelcompensatie worden ingediend. Voor deze gevallen ontbreekt een met voldoende waarborgen omklede regeling waarmee aan benadeelden op voorhand voldoende zekerheid werd verschaft over de wijze waarop de gemeente met aanvragen om nadeelcompensatie omgaat. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid is in deze gevallen tot dusver toch de procedure voor de behandeling van de aanvraag geheel in overeenstemming met de nadeelcompensatieverordening toegepast.
Om deze leemte op te vullen voorziet de voorliggende verordening in een procedure die alle aanvragers om nadeelcompensatie op voorhand zekerheid verschaft over de wijze waarop de gemeente met hun aanvragen zal omgaan.
Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van de nieuwe Procedureverordening planschade Arnhem 2011.
Reikwijdte van de regeling
Op de onderhavige regeling kan geen beroep worden gedaan indien en voor zover schadevergoeding op enigerlei wijze anderszins is verzekerd. Indien en voor zover bijvoorbeeld door aankoop, onteigening, huurbeëindiging, of anderszins in een vergoeding is voorzien, is deze regeling niet van toepassing.
Evenmin is de regeling van toepassing op schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad of wanprestatie, omdat deze onderwerpen door het burgerlijk recht worden beheerst. Indien niet duidelijk is of een aanvraag betrekking heeft op schade uit een rechtmatig of een onrechtmatig overheidshandelen, dan heeft de burgerlijke rechter daarover dan ook het laatste woord.
Compensatie voor onevenredig nadeel
Alleen nadeel dat niet kan worden gerekend tot het normaal maatschappelijk risico, komt voor compensatie in aanmerking. In algemene zin kan niet worden aangegeven in welke gevallen en in hoeverre nadeel tot dit normaal maatschappelijk risico dient te worden gerekend. Bij de beoordeling van elke aanvraag dient de adviescommissie na te gaan in hoeverre de benadeelde onevenredig zwaar is getroffen in vergelijking met anderen die in een vergelijkbare positie verkeren. Alleen dat meerdere, het onevenredige nadeel, komt voor compensatie in aanmerking.
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre het nadeel voor compensatie in aanmerking komt, zal de adviescommissie ook onderzoeken:
of het in nadeel een rechtstreeks gevolg is van een rechtmatige handeling van de gemeente;
wat de omvang van het nadeel is;
of het nadeel redelijkerwijs niet, of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven;
of de vergoeding van het nadeel niet, of niet voldoende op een andere wijze is gewaarborgd.
Samenloop planschade
Indien bij de beoordeling van een aanvraag blijkt dat de schade naar haar aard feitelijk, geheel of gedeeltelijk een verzoek om vergoeding van planschade betreft, dan zal het college de aanvraag voor dat gedeelte als zodanig en overeenkomstig het gestelde in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de gemeentelijke Procedureverordening planschade Arnhem 2011 in behandeling nemen. Niet de uit hoofde van de onderhavige regeling ingestelde onafhankelijke adviescommissie zal in dat geval over deze aanvraag adviseren, maar de ingevolge de Procedureverordening planschade Arnhem 2011 ingestelde adviescommissie planschade.
Omdat het niet ondenkbaar is dat een aanvraag om nadeelcompensatie ook planschadecomponenten bevat, is ervoor gekozen de commissie planschade en de adviescommissie nadeelcompensatie door dezelfde deskundige te laten voorzitten. Op deze wijze wordt voorkomen dat in de behandeling van de aanvraag hiaten of doublures ontstaan.