1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
die zich gedraagt in strijd
met artikel 2.1.1, 2.4.4, 2.4.4b, 2.4.4c, 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.5b,
2.4.6, 2.4.17, 3.1.7, 3.3.2, 3.3.3, of
3.3.5 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
genoemd tijdvak van 24 uur te
bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
nabijheid waarvan de genoemde
gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).
2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
aan wie eerder een
verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van
wie binnen zes maanden na het
opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw
gedraagt in strijd met de in het
eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende
een in dat verbod
genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat
verbod aangewezen
plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen
hebben plaatsgehad.
3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
aan wie eerder een
verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en
ten aanzien van wie binnen
zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat
hij zich opnieuw gedraagt
in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod
opleggen om zich gedurende een
in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te
bevinden op in dat verbod
aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
gedragingen hebben
plaatsgehad.
4.De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid
genoemde verboden, indien dat
in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
noodzakelijk is.
5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
burgemeester opgelegd verbod.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 10
Artikel 2.10.1
Verblijfsontzegging
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010