1.De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel
vereist, de gehele of
gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand
gebouw - niet zijnde een
inrichting als bedoeld in paragraaf 3.1 of hoofdstuk 3 - of een bij
dat gebouw behorend erf.
2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van
een afschrift van zijn
bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek
openstaande gebouw of het bij dat
gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment
dat bedoeld afschrift is
aangebracht.
3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
bedoelde afschrift wordt
aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht
is.
4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw of erf
als bedoeld in het eerste lid
verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten
verblijven, zolang de sluiting van kracht
is.
5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
gesloten gebouw of erf te
bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
6.Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde
lid niet verstaan de
personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande
gebouw of het bij dat
gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist
wordt.
7.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
belanghebbende(n) door de
burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
en omstandigheden
hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
aanwezig zijn, dat geen
herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben
geleid, zal plaatsvinden.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.18
Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010