Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3

Artikel 2.3.2

Vergunningplicht

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010

1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning). 2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat er geen sprake zal zijn van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede lid, kan door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (voorlopige vergunning). 3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat sprake is van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede lid kunnen door de burgemeester nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de voorlopige vergunning intrekken. 4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mede, dat de voorlopige vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, als bedoeld in het eerste lid. 5.Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege. 6.Een exploitatievergunning vervalt van rechtswege zodra (één van) de exploitant(en) niet meer als zodanig functioneert of zodra de ondernemingsvorm wijzigt. 7.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën horecabedrijven een beperkte geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel