1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder
vergunning van de
burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in deze paragraaf te
exploiteren
(exploitatievergunning).
2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
dat er geen sprake zal zijn
van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8,
tweede lid, kan door de
burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode
van ten hoogste een jaar
(voorlopige vergunning).
3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid
blijkt dat sprake is van het
bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede
lid kunnen door de burgemeester
nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de
voorlopige vergunning intrekken.
4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken,
deelt de burgemeester de
exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mede, dat de
voorlopige vergunning met ingang van
een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als
een vergunning, als bedoeld
in het eerste lid.
5.Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning
vervalt de oude vergunning
van rechtswege.
6.Een exploitatievergunning vervalt van rechtswege zodra (één van)
de exploitant(en) niet meer
als zodanig functioneert of zodra de ondernemingsvorm wijzigt.
7.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
woon- en leefklimaat voor
bepaalde categorieën horecabedrijven een beperkte geldigheidsduur
van de exploitatievergunning
vaststellen.