Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3. › Paragraaf 2

Artikel 3.2.1a

Speelautomaten

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010

1.Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000 (Stb.2000, 223); speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; hoogdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet; laagdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet; aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet. ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een speelautomatenhal,een hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon; I.een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de wet; J.beheerder: degene die belast is met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; K.exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 30H van de wet, speelautomaten exploiteert. Opstelplaatsenbeleid In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten; b.In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel