1 Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
verordeningen bedoeld
in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of
verbod waarop de
vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
verordening en voor zover zij niet
eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de
inwerkingtreding van deze
verordening van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
2.3.10b.
2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld
in artikel 6.4,
tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke
deze voorschriften en
bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor
zover zij niet eerder zijn
vervallen of ingetrokken - nog gedurende 5 jaren na de inwerkingtreding
van deze verordening
van kracht een en ander onverminderd het bepaalde in artikel
2.3.10b.
3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
aanvraag om een
vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een
verordening bedoeld in artikel
6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze verordening nog
niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige
bepaling van de onderhavige
verordening toegepast.
4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning
of ontheffing,
bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld
in het tweede lid dat voor
of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
binnen de voordien geldende
beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld
in artikel 6.4, tweede
lid.
5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning
of ontheffing - hoe ook
genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag
voor een, krachtens een in
deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
vergunning of
ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van
de in het eerste lid
genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
vereist is krachtens
deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in
artikel 6.4, tweede lid,
zijn niet van toepassing:
gedurende acht weken na het in werking treden van deze
verordening;
ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de
vergunning of ontheffing nodig
heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat
onherroepelijk op deze aanvraag
is beslist.
7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
heeft geen gevolgen voor
de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels,
beleidsregels en
aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
aanwijzingsbesluiten zijn
gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet
eerder zijn vervallen of
ingetrokken.