**1..** Bij overlijden van een raadslid of een belanghebbende wordt aan de weduwe, weduwnaar of levenspartner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering ineens ten bedrage van een vierde deel van de laatstelijk genoten jaarlijkse vergoeding voor werkzaamheden toegekend. Een vergoeding voor onkosten wordt hierbij uiten beschouwing gelaten.
**2..** Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of levenspartner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke kinderen en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
**3..** Na de overlijdensuitkering wordt aan degene die deze heeft ontvangen een uitkering bij aftreden toegekend of wordt aan hem/haar een reeds ingegane uitkering voor resterende duur voortgezet.
Op een nog toe te kennen uitkering bij aftreden zijn artikel 12b, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2.
Artikel 12e.
Overlijdensuitkering.
Onderdeel van Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2006