Dit artikel stelt voorop dat een ieder het recht heeft bij een bestuursorgaan een klacht in te dienen over de wijze waarop dat orgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon heeft gedragen. De kring van klachtgerechtigden is volgens deze bepaling ruim getrokken. “Een ieder” houdt op zichzelf vrijwel geen beperking in, terwijl de gemaakte gedraging ook niet perse jegens de klager hoeft te hebben plaatsgevonden. Voor deze benadering, waarbij niet zozeer de persoon van de klager maar de ter discussie staande gedraging centraal staat, is aangesloten bij het stelsel van de Wet Nationale Ombudsman.
De bevoegdheid om klachten in te dienen is, bezien vanuit de positie van de klager, echter niet geheel onbeperkt. Blijkens dit artikel en de begripsomschrijving van “gedraging”, zoals genoemd in artikel 38:0:0:1, eerste lid, aanhef onder c, moet deze in ieder geval “een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon betreffen”. Verder wordt een klacht niet in behandeling genomen, indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 38:0:0:7, eerste lid, van deze verordening.
Door dit stelsel zal er enerzijds toch sprake moeten zijn van enig concretiseerbaar belang van de klager, terwijl de klachtbehandelaar anderzijds de vrijheid wordt gelaten een relatie klager-gedraging, die in een concreet geval op zichzelf wellicht niet zo direct is, geen belemmering te laten zijn voor de afhandeling van een klacht.