Voor de vergoeding van reis en verblijfkosten geldt dat de plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning van de ambtenaar of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis onderscheidenlijk de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt bezocht dan wel wordt gepasseerd. Een dienstreis in het kader van de dagelijkse functie-uitoefening heeft altijd de standplaats als begin en eindpunt.