Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een TOD als bedoeld in artikel 3:3:1:1 een blijvende verlaging ondergaat, wordt een aflopende toelage toegekend indien:
de blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de persoonlijke toelagen.
de ambtenaar die TOD gedurende tenminste twee jaren heeft genoten zonder wezenlijke onderbreking, dit als bedoeld in artikel 3:3:1:1 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van zestig jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van de toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de TOD heeft genoten, over een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een periode gelijk aan ¼ deel van de tijd gedurende welke de ambtenaar de TOD heeft genoten, maar voor ten hoogste drie jaren. De aldus berekende periode wordt onderverdeeld in drie gelijke perioden.
Gedurende de deelperioden bedraagt de toelage respectievelijk 75%, 50% en 25% van de vermindering van de bezoldiging.
Bij algemene salariswijzigingen worden de componenten voor de berekening van de aflopende toelage herzien conform de salariswijziging. Ondergaat het salaris van de ambtenaar een wijziging in verband met een indeling in een hogere salarisschaal, dan wordt de berekeningsbasis voor de toelage aangepast.
Indien gedurende enige tijd in de uitkeringsperiode de berekeningsbasis voor de aflopende toelage daalt onder de 3% van de oude bezoldiging, dan wordt gedurende die tijd geen aflopende toelage uitbetaald.