De in artikel 3:3:0:5 bedoelde geldelijke vergoeding voor de ambtenaar, ingedeeld in een rooster als bedoeld in artikel 4, lid 1, wordt uitgedrukt in een percentage van de berekeningsbasis. Dit percentage bedraagt bij een frequentie in het verrichten van volle weekdiensten van:
eenmaal in de twee weken:
17,6%;
eenmaal in de drie weken:
11,7%;
eenmaal in de vier weken:
8,7%;
eenmaal in de vijf weken:
6,9%;
eenmaal in de zes weken:
5,8%;
eenmaal in de zeven weken:
4,9%;
eenmaal in de acht weken:
4,3%;
eenmaal in de negen weken:
3,8%;
eenmaal in de tien weken:
3,5%;
eenmaal in de elf weken:
3,2% en
eenmaal in de twaalf weken van de berekeningsbasis.:
2,8%
In het geval dat een piketdienst van een ambtenaar slechts een deel van de uren tussen het einde van de werktijd/bedrijfstijd op de ene werkdag en het begin daarvan op de volgende werkdag beslaat, wordt de vergoeding naar rato toegekend.
Wanneer daar, naar het oordeel van het afdelingshoofd, aanleiding toe bestaat, kan deze, anders dan in gevallen bedoeld in het vorig lid, de in het eerste lid bedoelde vergoedingspercentages verlagen. Alvorens hij hiertoe kan overgaan, dient hij een gemotiveerd voorstel aan de medezeggenschapsorgaan van zijn afdeling/bedrijf te overleggen, die daarop zijn instemming dient te geven.
Wanneer in een week waarin de ambtenaar dienst doet sprake is van roostervrije uren, dat wordt voor die uren een aanvullende vergoeding toegekend. Dit geldt in gelijke mate voor de uren tussen het tijdstip van einde van de bedrijfstijd van het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is en het tijdstip van 18.00 uur, voor zover die bedrijfstijd voor 17.00 uur eindigt. De vergoeding bedraagt in deze gevallen voor ieder uur waarop dienst wordt gedaan, voor zover vallend tussen 08.00 uur en 18.00 uur, 10% van de tot een uurloon herleide berekeningsbasis.