De compensatie-uren, als bedoeld in artikel 3:3a:0:9, dienen door de ambtenaar te worden opgenomen uiterlijk zes weken na het einde van de week waarin de aanspraak is ontstaan.
Indien het dienstbelang het niet toelaat dat de compensatie-uren binnen de in het vorig lid bedoelde termijn worden opgenomen, dan kan die termijn door de directeur eenmalig met vier weken worden verlengd.