De duur van het vakantieverlof van een ambtenaar, die op gemiddeld 36 uur per week zijn betrekking vervult (voor deeltijders naar rato), bedraagt:
voor de ambtenaren, ingedeeld in een van de schalen 1 tot en met 9, opgenomen in bijlage I of IIa, 165,6 werkuren per kalenderjaar en
voor de ambtenaren, ingedeeld in een van de schalen 10 tot en met 16, opgenomen in bijlage II of IIa, 172,8 werkuren per kalenderjaar.
Het in lid 1 genoemde aantal dagen wordt verhoogd:
met 14,4 uur (7,2 uur als compensatie voor de goede vrijdag en 7,2 uur ter compensatie van het vervallen van het december verlof)
respectievelijk 7,2, 14,4, 21,6, 28,8 of 36 uur als een ambtenaar een diensttijd van respectievelijk 15, 25, 30, 35 of 40 jaar dan wel de leeftijd van respectievelijk 35, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt.
voor de ambtenaar over het kalenderjaar waarin hij 18 jaar of jonger is, met 21,6 uur gedurende het kalenderjaar dat hij 19 jaar is, met 14,4 uur; gedurende het kalenderjaar dat hij 20 jaar is, met 7,2 uur.
In gevallen waarin dit artikel niet voorziet stellen burgemeester en wethouders bijzonder regels vast.