1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
op:
vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
categorie;
twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
tweede categorie;
veertig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
derde categorie.
2. In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien
belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en de
belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a,
dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen
toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, voor
onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen
niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.
3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
bedraagt.
Hoofdstuk 2
Artikel 11
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011