Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 7

Benoeming kandidaat wethouders

Onderdeel van Reglement van orde gemeenteraad

1. De voorzitter van de raad stelt een commissie “Benoembaarheid wethouders” in, die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van een of meerdere wethouders en de raad hierover schriftelijk adviseert. 2. De commissie bestaat uit drie leden van de raad. Bij tussentijdse benoeming van (een) wethouder(s) zal in deze commissie geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie van waaruit de kandidaat wordt voorgedragen. Bij een compleet nieuwe collegebenoeming wordt dezevoorwaarde losgelaten. 3. De kandidaat wethouder legt de documenten en informatie over die nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie te verrichten toetsing. De kandidaat wethouder maakt bovendien alle overige door hem in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. 4. De commissie toetst de van de kandidaat wethouder ontvangen documenten en informatie aan de hand van in elk geval een zestal voorschriften:- de verklaring omtrent het gedrag- de artikelen 35, 36a, 10 en 41a Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten)- de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties)- artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies)- de artikelen 41c, 15 en 46 Gemeentewet (onverenigbare of verboden handelingen) 5. De commissie verricht zijn werkzaamheden in een niet openbare vergadering waarvan geen verslag wordt opgemaakt. 6. De kandidaat wethouder kan in de gelegenheid worden gesteld de documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten. 7. Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie een schriftelijk advies aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s). Indien de ad hoc commissie niet unaniem is in zijn oordeel wordt hiervan melding gemaakt in het advies.

Rechtspraak bij dit artikel