Artikel 22 geeft aan in welke gevallen de subsidie in de vorm van een pakket op maat lager wordt vastgesteld dan de subsidieverlening, waardoor de werkgever het overeenkomstige bedrag moet teruggeven als de gemeente een voorschot heeft verstrekt. Bij een plaatsingsbudget geldt altijd dat de subsidie vooraf is verstrekt en kan alleen op basis van artikel 7a, vierde en vijfde lid van het Buf de subsidie lager worden vastgesteld. De werkgever moet het subsidiebedrag dat ten onrechte is uitgekeerd teruggeven aan de gemeente. Het ten onrechte uitgekeerde subsidiebedrag wordt bij de gemeente teruggevorderd door het rijk. Artikel 4:46, lid 2 en 3 Awb bevatten ook gronden om een subsidie lager vast te stellen. Op grond van lid 2 kan subsidie lager worden vastgesteld indien:
de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden;
de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;
de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.
Het derde lid van artikel 4:46 luidt: "Voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen". De gemeente stelt dus op basis van artikel 22 van de verordening de subsidie vast.