Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.2

Persoonlijk inburgeringsbudget

Onderdeel van Verordening inburgering Amsterdam 2010

1.. In plaats van een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of de inburgeringscomponent van een gecombineerde voorziening, kan het college op verzoek van de inburgeraar een persoonlijk inburgeringsbudget vaststellen, indien bijzondere persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar naar het oordeel van het college een speciale voorziening vereisen. 2.. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is in ieder geval sprake indien een gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.1 niet geschikt is, omdat de inburgeraar: hoogopgeleid is, of zodanige fysieke of psychische beperkingen ondervindt dat een daarop aangepaste voorziening voor hem noodzakelijk is. 3.. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, kan het college op verzoek van de inburgeraar eveneens een persoonlijk inburgeringsbudget vaststellen, indien voor de inburgeraar een speciale voorziening in samenwerking met zijn huidige of toekomstige werkgever is samengesteld, die mede gericht is op zijn huidige of toekomstige werkzaamheden. 4.. Het college wijst het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget af, indien: naar het oordeel van het college geen sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden; het door de inburgeraar ingediende trajectplan, bedoeld in artikel 3.2b, eerste lid, onder a, onvolledig is; uit het ingediende trajectplan, bedoeld in artikel 3.2b, eerste lid, onder a, blijkt dat het daarin door de inburgeraar geschetste doelperspectief of inburgeringsprogramma onvoldoende onderscheidend is van de inhoud van een gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.1; de inburgeraar blijkens de toets, bedoeld in artikel 3.2b, tweede lid, niet beschikt over een gemiddeld of hoog leervermogen. 5.. Het college stelt de hoogte van een persoonlijk inburgeringsbudget voor de inburgeraar vast met inachtneming van de maximumbedragen in de tabel, die als bijlage 1 deel uitmaakt van deze verordening. Het college is bevoegd de bedragen in de tabel jaarlijks voor 1 januari te indexeren. 6.. Het college kan van een maximumbedrag in de tabel, bedoeld in het vijfde lid, afwijken ten gunste van de inburgeraar, indien toepassing van dat bedrag gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel