De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:
voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;
voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij derden of die in gebruik zijn bij de gemeente ten behoeve van de uitvoering van werken voor rekening van derden;
voorwerpen, genoemd in hoofdstuk 2, onder 4 van de tarieventabel, onder voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, die krachtens besluit van de raad van 10 december 1971, nr. XI-5, door het college zijn verhuurd;
voorwerpen, genoemd in hoofdstuk 2, onder 5.1.9, 5.1.10, 5.1.11 en 5.1.12 van de tarieventabel, in het geval een non-profitorganisatie die zich blijkens haar statuten de uitoefening ten doel stelt van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard als belastingplichtige wordt aangemerkt.
borden, palen en dergelijke die in verband met de verkiezingen van publiekrechtelijke lichamen zijn aangebracht.
Artikel 4
Vrijstellingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting Vlissingen 2011