Lid 1
Bij aanstelling kent het college de ambtenaar een salaris toe zoals vermeld in de voor hem geldende salarisschaal achter salarisregel 0 in bijlage IIa van de CAR.
Lid 2
Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daarvoor naar het oordeel van het college aanleiding bestaat.
Lid 3
Wanneer een ambtenaar niet aan de functie-eisen voldoet of nog geen juist beeld is verkregen over zijn wijze van functioneren, kan hij worden aangesteld in de aanloopschaal.