Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Verordening afstemming van bijstand 2009

lid 1 De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering zes soorten verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De plicht tot arbeidsinschakeling. De informatieplicht. De medewerkingplicht. Aanvullende verplichtingen. De identificatieplicht. Ad 1. Voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in het bestaan. De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering wordt aangevraagd, het college bij de toekenning hiermee rekening dient te houden en de bijstand afstemt op het betoonde besef. Ad 2. De plicht tot arbeidsinschakeling. De plicht tot arbeidsinschakeling is neergelegd in artikel 9 WWB en bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden en te behouden; de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de belanghebbende. De re-integratieverordening van de gemeente Den Helder vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen dienen in het besluit tot het verlenen van bijstand te worden neergelegd. Ad 3. De informatieplicht. Artikel 17, eerste lid WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en/of het recht op bijstand. Ad 4 De medewerkingplicht. De plicht van belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet is neergelegd in artikel 17, tweede lid WWB. De medewerkingplicht bestaat uit allerlei concrete verplichtingen zoals het toestaan van een huisbezoek of het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18, tweede lid WWB noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingplicht inhoudt: het zich tegenover het college zeer ernstig misdragen. Hiertoe behoort ook agressief gedrag, zij het dat er in dat geval sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. In het veiligheidsprotocol van de gemeente Den Helder is agressief gedrag als volgt gedefinieerd: “voorvallen waarbij een medewerker psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het uitoefenen van de functie of de taken van de afdeling”. Ad 5 Aanvullende verplichtingen. Naast de algemene voor iedere belanghebbende geldende uitkeringsverplichtingen, kent de WWB de bevoegdheid aan het college toe om aanvullende verplichtingen aan een belanghebbende op te leggen. Het betreft verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, of verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand, zoals het aanvragen van kinderalimentatie, of dat bepaalde betalingen voor noodzakelijke kosten van het bestaan rechtstreeks worden voldaan door het college, of akkoord te gaan met betaling van bijstand in natura (artikel 55 tot en met 57 WWB). De wet Suwi legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Landelijke organisatie werk en inkomen (UWVWERKbedrijf) te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid wet Suwi) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWVWERKbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand. Ad 6 De identificatieplicht Artikel 17, vierde lid WWB bepaalt dat een ieder desgevraagd verplicht is aan het college informatie te verstrekken over zijn identiteit, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Bij de invoering van de WWB is het daardoor mogelijk geworden bij een nader onderzoek, in het kader van handhaving, bij het betreden van de plaats waar het onderzoek plaatsvindt te vragen naar identiteitsbewijzen. lid 2 In de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaard maatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste procentuele verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de maatregel dient af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze bepaling met zich mee dat het college bij afstemming zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaard afstemming geboden is. Afwijking van de standaard afstemming kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel