1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids
op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
gedeelten daarvan.
De burgemeester kan de werking van het verbod beperken
tot bepaalde dagen en uren.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
verbod.
Paragraaf 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2.1.5.1 A: Vergunning voor het plaatsen van
voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
publieke functie van de weg
Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
van het bevoegd gezag de weg of een weggedeelte
anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
functie daarvan.
In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd
bestuursorgaan: het college, of voorzover het
betreft voor het publiek openstaande gebouwen en
daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174
van de Gemeentewet, de burgemeester, of voor zover
het betreft een activiteit als bedoeld in artikel
2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, het bevoegd
gezag.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan
worden geweigerd:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt
aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
redelijke eisen van welstand;
in het belang van de voorkoming of beperking
van overlast voor gebruikers van de in de
nabijheid gelegen onroerende zaak.
Artikel 2.1.5.1 B: afbakeningsbepalingen en
uitzonderingen
Het verbod in het eerste lid van het vorige
artikel geldt niet voor:
evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.1;
standplaatsen als bedoeld in artikel
5.2.3.2.
Het verbod in het eerste lid van het vorige
artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of
stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
geopenbaard.
Het verbod in het eerste lid van het vorige
artikel geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
wegenreglement.
De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a,
van het vorige artikel geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
De weigeringsgrond van het tweede lid, onder
b,van het vorige artikel geldt niet voor
bouwwerken;
De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c,
van het vorige artikel geldt niet voorzover in het
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 2.1.5.1C: vrij te stellen categorieën
Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen
waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel
2.1.5.1 A niet geldt.
Artikel 2.1.5.2 (Omgevings)vergunning voor het
aanleggen, beschadigen en veranderen van een
weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een
vergunning een weg aan te leggen, de verharding
daarvan op te breken, in een weg te graven of te
spitten, aard of breedte van de wegverharding te
veranderen of anderszins verandering te brengen in
de wijze van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend
als omgevingsvergunning door het bevoegd
gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij
een bestemmingsplan, beheersverordening,
exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
door het college in de overige gevallen.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
Het verbod geldt voorts niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken , het Provinciaal
wegenreglement, de Waterschapskeur, de
Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
Telecommunicatieverordening.
Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een
uitweg
Het is verboden zonder vergunning van het
bevoegd gezag:
een uitweg te maken naar de weg
van de weg gebruik te maken voor het hebben
van een uitweg
verandering te brengen in een bestaande uitweg
naar de weg.
Het college kan categorieën van uitwegen
aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid
niet geldt.
De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
worden geweigerd in het belang van:
De bruikbaarheid van de weg
Het veilig en doelmatig gebruik van de
weg
De bescherming van het uiterlijk aanzien van
de omgeving;
De bescherming van groenvoorzieningen in de
gemeente.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
zover in het daar geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
Provinciaal wegenreglement Provincie.
Paragraaf 6 Veiligheid op
de weg
Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst
water op de weg te werpen, uit te storten of te
laten lopen.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
427, aanhef en onder 4e,van het Wetboek
van Strafrecht of artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes
De rechthebbende op een bedrijf die
winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten
behoeve van het vervoer van winkelwaren over de
weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van
het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in
de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of
langs de weg achtergelaten winkelwagentjes
terstond te verwijderen of te doen
verwijderen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet
voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of
voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te
brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het
wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan
op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere
afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening,
te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.
1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen
gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers
opleveren.
2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in
het daarin geregelde onderwerp artikel 427, aanhef en
onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en
natuurterreinen
1.Het is verboden te roken in bossen, op heide- of
veengronden of binnen een afstand van dertig meter
daarvan gedurende de door het college aangewezen
periode.
2 Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of
binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover
het de open lucht betreft, brandende of smeulende
voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
liggen.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod
geldt niet voor zover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef
en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt
voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in
gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
erven.
Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk
voorwerp
1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers
of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei
wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen
lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de
uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
1994 daaronder verstaat.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor
zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
toepassing is.
Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of enig deel van een
bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk
beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.4.3
Straatartiest
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007
Verwijzingen
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- artikel 427
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 427
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5
- artikel 2
- Artikel 2