Het is verboden bijen te houden:
binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
gebouwen waar overdag mensen verblijven;
binnen een afstand van 30 meter van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien
op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven
of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter
hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag
uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
verbod geldt niet voor zover de bijenhouder
rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld
in dat lid.
4 Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.
5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
ontheffing verlenen.
5.Artikel 2.4.25 Bedelarij
5.Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of
aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
bedelen om geld of andere zaken.
5.Artikel 2.4.26 Nachtverblijf op of aan de weg
Het is verboden op of aan de weg, al dan niet in een
voortuig, te overnachten, dan wel op of aan de weg een
voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of
ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit
als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten
dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde
verbod ontheffing verlenen.
5. Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van
heling van goederen
5.Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen
5.In deze afdeling wordt verstaan onder:
handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen
of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
ongeregelde goederen door de handelaar.
5.Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door
of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
vermeldt hij onverwijld:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen –
voorzover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van
het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
van het goed;
de naam en het adres van degene die het goed heeft
verkregen.
De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van
deze verplichtingen.
5.Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
437ter, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht
5.De handelaar of een voor hem handelend persoon is
verplicht:
wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen
een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van
het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten
behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen
drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een
verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of
de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn
onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en
de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
voorkomen;
indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren
is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de
onder a bedoelde functionaris;
zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te
geven aan de burgemeester of een daartoe door de
burgemeester aangewezen ambtenaar;
wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep
of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval
binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
stellen.
5.Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
goederen
5.Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden
enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen
dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige
wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed
is op de herkenbaarheid van het goed.
5.Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven
Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te
laten dat een handelaar of een voor hem handelend
persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft,
verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
In dit artikel wordt verstaan onder:
horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
2.3.1.1, eerste en tweede lid;
houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
lid.
5. Afdeling 6 Vuurwerk
5.Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen
5.In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk:
5. Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
5.Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
tijdens de verkoopdagen
5. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
is of zal worden gevestigd.
5.Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
jaarwisseling
Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door het
college in het belang van de voorkoming van gevaar,
schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor
publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden
niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het
Wetboek van Strafrecht.
5.4 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
5. Afdeling 7 Drugsoverlast
5.Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat
5.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of
aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen
en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel
om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of
daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
zijn of daarin te bemiddelen.
5.Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik op of aan de
weg
5.Het is verboden, op de weg, op een voor publiek toegankelijke
plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe
te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten
behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te
hebben.
5. Afdeling 8 Bestuurlijke ophouding
5.Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding
5.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de
Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen art.
2.1.1.1, art. 2.1.2.1, art. 2.1.5.1, art. 2.1.5.2, art. 2.1.6.4,
art. 2.1.6.8, art. 2.1.6.8a, art. 2.1.6.11, art. 2.2.3a, art.
2.4.7, art. 2.4.7a, art. 2.4.8, art. 2.4.9, art. 2.4.10, art.
2.7.3, of art. 5.5.1. van de Algemene plaatselijke verordening
van de gemeente Gilze en Rijen groepsgewijs niet naleven.
5. Afdeling 9
Veiligheidsrisicogebieden
5.Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden
5.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de
Gemeentewet bij verstoring van de
5.openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met
inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
veiligheidsrisicogebied.
5. Afdeling 10
5.Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare
plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s
voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op
een openbare plaats.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het
eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder
toegankelijke plaatsen:
5.Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels,
straatprostitutie e.d.
5.Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen
5.Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen
5.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
prostitutie: het zich beschikbaar
stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met
een ander tegen vergoeding;
prostitué(e): degene die zich
beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
handelingen met een ander tegen vergoeding;
seksinrichting: de voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of
in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele
handelingen worden verricht, of vertoningen van
erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
combinatie met elkaar;
escortbedrijf: de natuurlijke
persoon, groep van personen of rechtspersoon die
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in
de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
sekswinkel: de voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk
goederen van erotisch-pornografische aard aan
particulieren plegen te worden verkocht of
verhuurd;
exploitant: de natuurlijke persoon of
personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
personen;
beheerder: de natuurlijke persoon of
personen die de onmiddellijke feitelijke leiding
uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;
bezoeker: degene die aanwezig is in
een seksinrichting, met uitzondering van:
de exploitant;
de beheerder;
de prostituee;
het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
6.2;
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
wegens dringende redenen noodzakelijk is.
5.Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan
5.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
bestuursorgaan: het college of, voorzover
het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet,
de burgemeester.
5.Artikel 3.1.3 Nadere regels
5.Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk
nadere regels vaststellen.
5.Paragraaf 2 Seksinrichtingen,
straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
5.Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het
bevoegd bestuursorgaan.
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
in ieder geval vermeld:
de persoonsgegevens van de exploitant;
de persoonsgegevens van de beheerder; en
de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
5.Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en
beheerder
De exploitant en de beheerder:
staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
ouderlijke macht of de voogdij;
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
en
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de
exploitant en de beheerder niet:
met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
Strafrecht ter beschikking gesteld;
binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
toegelaten;
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
een onvoorwaardelijke geldboete van 453 euro of meer of
tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
wegens dan wel mede wegens overtreding van:
bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
arbeid vreemdelingen;
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
met 249, 250a (oud), 252, 273, 300 tot en met 303, 416,
417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
Strafrecht;
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
Wegenverkeerswet 1994;
de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
de Wet op de kansspelen;
de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
gelijk gesteld:
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
minder dan 375 euro bedraagt;
een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
straf.
De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
wordt:
bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
de datum van beslissing op de aanvraag van de
vergunning;
bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
de datum van de intrekking van deze vergunning.
De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf
jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of
waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste
lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem
terzake geen verwijt treft.
Artikel 3.2.3 Sluitingstijden
Het is verboden een seksinrichting voor
bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers
toe te laten of te laten verblijven:
op maandag tot en met zondag 02.00 uur en 05.00
uur;
Het bevoegd orgaan kan door middel van een
voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een
afzonderlijke seksinrichting andere
sluitingstijden vaststellen.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden
zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede
lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid,
gesloten dient te zijn.
Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde
geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer
gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.
Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking
sluitingstijden;(tijdelijke) sluiting
Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
genoemde belangen of in geval van strijdigheid met
de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
bestuursorgaan:
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3,
eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren
vaststellen;
van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
bevelen.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de
Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd
bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel
3:42 Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door
exploitant en beheerder
Het is verboden een seksinrichting voor
bezoekers geopend te hebben, zonder dat de
ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde
exploitant of beheerder in de seksinrichting
aanwezig is.
De exploitant en de beheerder zien er
voortdurend op toe te zien dat in de
seksinrichting:
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
(misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling),
XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de
Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen
in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
bepaalde.
Artikel 3.2.6 Straatprostitutie
Het is verboden, door handelingen, houding,
woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot
gebruikmaking van prostitutie te bewegen, uit te
nodigen dan wel aan te lokken:
op of aan andere dan door het college aangewezen
wegen of gebieden;
gedurende andere dan door het college
vastgestelde tijden.
Met het oog op de naleving van het in het eerste
lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren
het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
bepaalde richting te verwijderen.
Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
genoemde belangen kan door politieambtenaren aan
personen die zich bevinden op de wegen en tijden
bedoeld in het eerste lid, het bevel worden
gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
te verwijderen.
De burgemeester kan met het oog op de in artikel
3.3.2, tweede lid, genoemde belangen personen aan
wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als
bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden
zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan
de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste
lid.
De burgemeester beperkt het in het vierde lid
genoemde verbod indien dat in verband met de
persoonlijke omstandigheden van betrokkene
noodzakelijk is.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met
een door de burgemeester opgelegd verbod als
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 3.2.7 Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college
in het belang van de openbare orde of de woon- en
leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de
gemeente.
Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en
aanbrengen van erotisch-pornografische goederen,
afbeeldingen en dergelijke
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak
verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan
te brengen:
indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan,
de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
gevaar brengt;
anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
bestuursorgaan in het belang van de openbare orde
of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet
van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
aanbrengen van goederen, opschriften,
aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Grondwet.
5. Paragraaf 3 Beslissingstermijn;
weigeringsgronden
5.Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn
Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de
aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste
lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag
ontvangen is.
Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten
hoogste twaalf weken verdagen.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 4
Artikel 2.4.24
Bijen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007
Verwijzingen
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 2
- art. 2
- Artikel 3
- artikel 3
- art. 2
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 429
- artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 3
- art. 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- art. 2
- Artikel 2
- artikel 3
- artikel 3
- Artikel 2
- artikel 437
- artikel 7
- Artikel 2
- art. 5
- artikel 3
- artikel 9
- Artikel 3
- artikel 6
- artikel 151b van de Gemeentewet
- Artikel 2
- artikel 154a van de Gemeentewet
- art. 2
- artikel 2
- art. 2
- artikel 151c van de Gemeentewet
- art. 2
- art. 2
- Artikel 3
- artikel 437
- artikel 6
- Artikel 2
- artikel 3
- art. 2
- art. 2
- Artikel 2
- art. 2
- art. 2
- artikel 67
- artikel 74
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 3
- art. 2
- artikel 3
- artikel 8
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 2
- artikel 3
- artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 2
- artikel 76
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 2
- artikel 3
- art. 2
- art. 2
- Artikel 2