Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
daarop of daarin te begeven of te bevinden.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
maken.
Artikel 5.3.9 Veiligheid op een waterplas
Het is de bestuurder, eigenaar of houder van een
motorvaartuig verboden dit te plaatsen, geplaatst te
houden of hiermee te varen op een door het college
aangewezen waterplas.
Het is verboden om te zwemmen of te baden dan wel
anders de watersport uit te oefenen op een door het
college aangewezen waterplas waar dit naar oordeel
van het college onveilig is.
Onder motorvaartuig wordt verstaan een vaartuig dat
is bestemd om te worden voortbewogen uitsluitend of
mede door mechanische kracht op of aan het vaartuig
zelf aanwezig.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor vaartuigen die
worden gebruikt voor baggerwerkzaamheden en voor
vaartuigen die worden gebruikt voor de openbare
dienst.
Het college kan ontheffing verlenen van de in het
eerste en tweede lid gestelde verboden.
Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd
en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.4.1 Crossterreinen
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde,
met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel
1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig
te hebben.
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het
verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
regels stellen voor het gebruik van deze
terreinen:
in het belang van het voorkomen of beperken van
overlast;
in het belang van de bescherming van het uiterlijk
aanzien van de omgeving en ter bescherming van
andere milieuwaarden;
in het belang van de veiligheid van de deelnemers
van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
ritten of van het publiek.
3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
daaronder verstaat.
4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer of het Besluit geluidproductie
sportmotoren.
Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in
natuurgebieden
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden
of zich te bevinden met een motorvoertuig als
bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets
als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een
fiets of een paard.
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in
het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing
is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van
het gebruik van deze terreinen:
in het belang van het voorkomen van overlast;
in het belang van de bescherming van natuur- of
milieuwaarden;
c in het belang van de veiligheid van het publiek.
3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor
fietsers of berijders van paarden:
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
hulpverlening en van andere krachtens artikel 29,
eerste lid, Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en
Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
of exploitatie van de door het college aangewezen
plaatsen;
die worden gebruikt in verband met werken die
krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
uitgevoerd;
van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters
van percelen gelegen binnen de door het college
aangewezen plaatsen;
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
verzorging van de onder d bedoelde personen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts
niet:
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
b, van de Wegenverkeerswet 1994;
binnen de bij of krachtens de provinciale
verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen
stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die
bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
‘toestel’.
5 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
Afdeling 5 Verbod vuur te stoken
Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te
verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet
milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te
stoken of te hebben.
Het verbod geldt niet voorzover het betreft:
g.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
dergelijke;
h.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
afvalstoffen worden verbrand;
i.vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen
gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden
geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 3
Artikel 5.3.8
Overlast aan vaartuigen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Gilze en Rijen 2007