Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend
krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
blijven – indien en voor zover het gebod of verbod waarop de
vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
verordening – en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
ingetrokken- nog gedurende drie jaren na de inwerkingtreding van
de verordening van kracht.
Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien en voor
zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en
voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
van kracht.
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel
6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag
is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
onderhavige verordening toegepast.
Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of
na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
lid.
In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens
een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod
vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde
termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
Gebods of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet
voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede
lid, zijn niet van toepassing:
a.gedurende 16 weken na het in werking treden van deze verordening;
b.ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag
heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en
voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd
ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
vervallen of ingetrokken.