Naar hoofdinhoud
1. Burgemeester en wethouders bepalen met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor de ambtenaar geldende functieschaal, tenzij eventueel blijkende uit een vastgestelde beoordeling zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet of de functie nog niet volledig en/of zelfstandig wordt uitgeoefend. 2. Bij de aanstelling van een nieuw indiensttredende ambtenaar is de toe te kennen salarisschaal in de regel lager dan de door burgemeester en wethouders vastgestelde functieschaal van het voor de ambtenaar geldende functieprofiel. 3. Bij de aanstelling van een nieuw indiensttredende ambtenaar wordt het salaris alleen ingedeeld in de voor het functieprofiel van die ambtenaar geldende functieschaal, als deze daarin volledig zelfstandig functioneert. 4. Het bepaalde in lid 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar aan wiens functieprofiel naar aanleiding van een functiewaarderingsonderzoek, een hogere functieschaal wordt toegekend. Bij die nieuwe inschaling wordt de ambtenaar ingedeeld in de salarisschaal die zich in gelijke mate verhoudt tot de nieuwe functieschaal, als de oude salarisschaal waarin hij op dat moment is ingedeeld zich verhoudt tot de oude functieschaal. 5. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode. 6. Anders dan bij het aanvaarden van passende of gangbare arbeid, dan wel bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in de CAR/UWO, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal.

Rechtspraak bij dit artikel