De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt door de beheerder
van de begraafplaats, met inachtneming van het bepaalde in deze
verordening en in overleg met de aanvrager.
Tot de begraving of bijzetting wordt niet eerder overgegaan dan
nadat:
de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de
artikelen 13 en 14 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor opdracht
aan het personeel van de begraafplaats heeft verleend;
alleen bij begraving van een stoffelijk overschot, het personeel van
de begraafplaats de identiteit van het stoffelijk overschot heeft
vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een ander
lijkomhulsel vermelde registratienummer met dat op een bijgevoegd
document dat tevens de namen, overlijdens- en geboortedatum van de
overledene dan wel de geslachtsnaam van de levenloosgeborene bevat.
Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as,
en het daarna sluiten van een graf, mag uitsluitend geschieden door
het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht
van de beheerder.