Naar hoofdinhoud
1.. De betaaltermijn voor geldschulden als bedoeld in artikel 1.1 als volgt vast te stellen: onmiddellijk nadat het verschuldigde bedrag aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt door de ambtenaar die door of namens burgemeester en wethouders is aangewezen. 2.. De betaaltermijn voor geldschulden als bedoeld in artikel 1.2 als volgt vast te stellen: binnen zes weken nadat het verschuldigde bedrag aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt door de ambtenaar die door of namens burgemeester en wethouders is aangewezen. 3.. De betaaltermijn voor geldschulden als bedoeld in artikel 1.3 vast te stellen op: uiterlijk de laatste dag van de maand waarop de uitbetaling betrekking heeft. 4.. De betaaltermijn voor geldschulden genoemd onder 1.4 als volgt vast te stellen: artikel 1.4. a, 1.4. b en 1.4. c en d: uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de declaratie is ingediend; artikel 1.4. e en f: na afloop van het kalenderjaar, uiterlijk op 31 januari; artikel 1.4. g: uiterlijk 30 april van het jaar waarop de uitbetaling betrekking heeft; artikel 1.4. h: uiterlijk 31 december van het jaar waarop de uitbetaling betrekking heeft; artikel 1.4. i: uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de declaratie is ingediend; artikel 1.4. j: uiterlijk 31 mei van het jaar waarop de uitbetaling betrekking heeft; artikel 1.4. k: aan het einde van het kalenderjaar, uiterlijk 31 december; artikel 1.4. l en m: uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de declaratie is ingediend;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel