Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 8

Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Medemblik 2011

Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad op aanwijzing van de voorzitter een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de door het stembureau aangeleverde geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden. 2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven schriftelijk verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. 3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen. 4. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 6. Bij de benoeming van een wethouder wordt, overeenkomstig het eerste lid, een commissie ingesteld die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van een of meerdere wethouders en de raad hierover schriftelijk adviseert. 1. De ad hoc commissie bestaat uit vier leden van de raad. Bij tussentijdse benoeming van (een) wethouder(s) zal in deze commissie geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie van waaruit de kandidaat wordt voorgedragen. Bij een compleet nieuwe collegebenoeming wordt deze voorwaarde losgelaten. 2. De kandidaat wethouder overlegt de documenten en informatie die nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie te verrichten toetsing. De kandidaat wethouder maakt bovendien alle overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. 3. De commissie toetst de van de kandidaat wethouder ontvangen documenten en informatie aan de hand van in elk geval een zestal voorschriften: a. Verklaring van goed gedrag; b. De artikelen 36a en 10 Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten); c. De artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties); d. Artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies); e. De artikelen 41c en 15 Gemeentewet (onverenigbare of verboden handelingen); f. De gedragscode bestuurlijke integriteit. 4. De commissie verricht haar werkzaamheden in een niet-openbare vergadering waarvan geen verslag wordt gedaan. 5. De kandidaat wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten. 6. Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie een schriftelijk, beargumenteerd, advies aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s). Indien de commissie niet unaniem is in haar oordeel wordt hiervan melding gemaakt in het advies.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel