Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007

De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 20% van het minimumloon voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 10% van het minimumloon voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. In afwijking van voorgaande wordt de toeslag voor een alleenstaande van 21 en 22 jaar op grond van artikel 29 van de wet afwijkend vastgesteld: voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag 10% en voor de alleenstaande van 22 jaar 15% in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; voor een alleenstaande van 21 én 22 jaar bedraagt de toeslag 5% in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben; Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: kinderen van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar met een inkomen lager dan of gelijk aan 50% van het minimumloon; kinderen van 18 jaar of ouder met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; kinderen van 18 jaar of ouder met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel