De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet
bedraagt 20% van het minimumloon voor de alleenstaande en
alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
hoofdverblijf heeft;
De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet
bedraagt 10% van het minimumloon voor de alleenstaande en
alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
hoofdverblijf hebben.
In afwijking van voorgaande wordt de toeslag voor een
alleenstaande van 21 en 22 jaar op grond van artikel 29 van de
wet afwijkend vastgesteld:
voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag
10% en voor de alleenstaande van 22 jaar 15% in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
voor een alleenstaande van 21 én 22 jaar bedraagt de
toeslag 5% in wiens woning één of meer anderen hun
hoofdverblijf hebben;
Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
zijn hoofdverblijf heeft:
kinderen van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar
met een inkomen lager dan of gelijk aan 50% van het
minimumloon;
kinderen van 18 jaar of ouder met studiefinanciering op
grond van de Wet studiefinanciering 2000;
kinderen van 18 jaar of ouder met een tegemoetkoming op
grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten;
verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
verzorgd.