Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 5

Afzien van het opleggen van een verlaging

Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2011

Eerste lid Volledigheidshalve wordt in het eerste lid onder a. herhaald dat van een verlaging wordt afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.(artikel 20, derde lid, IOAW en artikel 20, derde lid IOAZ) Een reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte een inkomensvoorziening is verleend of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. (Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die stond in artikel 14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht.) Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Tweede lid Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. De jurisprudentie kan hiervoor als leidraad dienen. Derde lid Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. Vierde lid De relatie met de strafrechtelijke sanctie In principe dient er bij fraude vanaf € 10.000,- (brutobedrag inclusief heffingen en premies) aangifte gedaan te worden bij het Openbaar Ministerie (OM) en dient er een proces-verbaal opgemaakt te worden. Als het OM een zaak in termen van strafrechtelijke bewijsbaarheid niet accepteert, wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een verlaging opgelegd dienen te worden. Indien er ter zake van hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld, wordt het opleggen van een verlaging opgeschort zolang het OM de gedraging onderzoekt. Indien er strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, of er een schikking heeft plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, blijft de verlaging definitief achterwege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel