Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 7

Ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2011

Eerste lid Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Het college hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat bij beëindiging van de uitkering geen verlaging meer kan worden opgelegd, is in artikel 13 de mogelijkheid opgenomen om in die situaties een verlaging met terugwerkende kracht op te leggen. Tweede lid Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. Deze bepaling maakt het mogelijk om, bijvoorbeeld bij een toekenning van bijstand, de verlaging te laten ingaan vanaf de ingangsdatum van de uitkering. Sinds de wettelijke verplichting tot het verlenen van voorschotten is dit echter in beperkte mate mogelijk. Op grond van artikel 52 WWB is het college verplicht tot maximaal 90% van de bijstandsnorm voorschotten te verlenen tenzij de belanghebbende de relevante gegevens niet verstrekt, anders niet meewerkt, of indien duidelijk is dat geen recht op bijstand bestaat. Wanneer bij het afhandelen van de aanvraag duidelijk is dat belanghebbende zich verwijtbaarheid heeft gedragen, dan is dat op zich geen reden om geen voorschotten te verlenen. Dit leidt er in de praktijk toe dat alleen een maatregel van 10% nog met terugwerkende kracht kan worden opgelegd, maar dat een hogere maatregel alleen naar de toekomst kan worden opgelegd, aangezien door middel van voorschotverlening (dat gelijk staat aan bijstandsverlening in de vorm van een renteloze geldlening) de bijstand reeds is uitbetaald. Derde lid Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is getroffen opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. Het college moet binnen drie maanden nadat het besluit is genomen een herbeoordeling laten plaatsvinden. Bij die herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde verlaging wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel