Het recht op een vaste plaats vervalt bij het overlijden van de
vergunninghouder, behoudens het bepaalde in artikel 2.14.
De vergunning voor een vaste plaats wordt ingetrokken:
op eigen verzoek van de vergunninghouder;
indien de vergunninghouder gedurende een periode van
vierentwintig achtereenvolgende maanden zijn plaats niet
of vrijwel niet persoonlijk heeft ingenomen, behoudens
het bepaalde in artikel 2.12;
in geval sprake is van artikel 2.14 lid 4.
Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voor een vaste
plaats intrekken:
wanneer niet langer wordt voldaan aan één of meer van de
eisen, gesteld in artikel 2.1 lid 1;
indien de vergunninghouder op drie achtereenvolgende
marktdagen, of op drie marktdagen binnen een tijdvak van
drie maanden de hem toegewezen vaste plaats niet heeft
ingenomen;
indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel
onvolledige gegevens zijn verstrekt;
indien sprake is van artikel 4.4 sub a, b, c of d.