Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning intrekken indien:
de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften niet naleeft;
niet binnen een op grond van artikel 20 lid 2 gestelde geldigheidsduur van de vergunning gebruikmaakt;
de vergunninghouder daartoe verzoekt.