Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 7

Inwerkingtreding

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag 2009 Wet werk en bijstand (WWB)

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van 15 december 2008 de secretaris, de voorzitter, Toelichting verordening langdurigheidstoeslag 2009 Wet werk en bijstand Algemeen Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag. Omdat regeling en bestuur van de WWB overgedragen zijn aan de ISD Midden-Langstraat is het vaststellen van de verordening langdurigheidstoeslag een bevoegdheid van het algemeen bestuur. De regels in de verordening dienen in ieder geval betrekking te hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig, laag inkomen en gebrek aan inkomensperspectief, zoals die in artikel 36 lid 1 WWB worden gebruikt. In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de in de huidige regeling en uitvoeringspraktijk gesignaleerde tekortkomingen. Voorts is gekozen voor een invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomt. Evenals onder de oude regeling het geval was, bepaalt de wet dat de toeslag op aanvraag wordt verstrekt. Dit sluit de mogelijkheid voor ambtshalve toekenning uit. Het kabinet geeft daarbij aan dat het gaat om een vorm van bijzondere bijstand, waarbij geldt dat voor elk individueel geval beoordeeld moet worden of er een recht bestaat. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in de WWB zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening. Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht geeft om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB (tekst tot 1-1-2009). Artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009) schreef een referteperiode van 5 jaar voor. Deze verordening sluit hierbij aan. Omdat de referteperiode op zijn vroegst kan gaan lopen bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd betekent dit in de praktijk dat 21- en 22-jarigen uitgesloten blijven van de langdurigheidstoeslag. Dit wordt niet bezwaarlijk geacht, omdat deze categorie veelal voldoende mogelijkheden zal hebben op inkomensverbetering. Artikel 2 De uitvoering van de WWB is overgedragen aan de ISD. In samenhang met het artikel 36 betekent dit dat het dagelijks bestuur bevoegd is de aanvragen te behandelen. Artikel 3 Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 105% van de bijstandsnorm. Door te kiezen voor 105% in plaats van voor 100% is duidelijk dat een belanghebbende met een inkomen op of net boven het minimumniveau krachtens een andere inkomensbron dan de WWB toch in aanmerking kan komen voor het recht op langdurigheidstoeslag. Door te kiezen voor 105% van de bijstandsnorm zal een inkomensachteruitgang bij werkaanvaarding met een inkomen op of rond bijstandsniveau niet leiden tot verlies van de langdurigheidstoeslag. Evenmin zal kortstondige werkaanvaarding en een terugval in een uitkeringssituatie niet tot gevolg hebben dat iemand vervolgens meerdere jaren verstoken blijft van een langdurigheidstoeslag. De inkomensgrens is gesteld op 105% van de geldende bijstandsnorm. Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe te kennen bij een hoger inkomen, vallend binnen de grenzen van het gemeentelijke minimabeleid. Dit doet afbreuk aan het waarmaken van het inkomensperspectief. Verder is een inkomen van bijvoorbeeld 112% van de bijstand niet te rijmen met de wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar. Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde is). Het hanteren van een grens van 112% zou daarom maken dat de uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de bijstandsnorm. Deze ruimte is nu benut. Het tweede lid zondert studenten expliciet uit van het recht op langdurigheidstoeslag. In de Nota van Toelichting bij het wetsontwerp geeft het kabinet aan dat studenten niet worden geacht te behoren tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag (in de huidige wettelijke bepalingen zijn studenten al uitgesloten). De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan inkomensverbetering. Artikel 4 De hoogte van de toeslag sluit aan bij de bedragen die gelden voor de langdurigheidstoeslag zoals deze tot 1 januari 2009 van toepassing is. In dit artikel is verder vastgelegd welk bedrag op de peildatum van toepassing is als een van de gehuwden uitgesloten is van het recht op langdurigheidstoeslag. Verder regelt het vierde lid de jaarlijkse bijstelling per 1 januari van de hoogte van de toeslag. Artikel 5 Dit artikel maakt het mogelijk in onvoorziene omstandigheden naar bevind van zaken te handelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel