Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.
Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
Onverminderd artikel 4, vierde lid, kunnen de beschikbare voorzieningen als volgt worden ingezet:
voor jongeren met een grote afstand tot de arbeidsmarkt worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 11, onderdelen c en i ingezet;
voor jongeren die zich richten op arbeid in zelfstandig bedrijf of beroep wordt in beginsel de voorziening, genoemd in artikel 11, onderdeel h, ingezet;
voor jongeren met een taalachterstand wordt in beginsel de voorziening, genoemd in artikel 11, onderdeel i, ingezet;
voor jongeren met een arbeidshandicap worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 11, onderdelen c en f ingezet;
voor jongeren die alleenstaande ouder zijn, worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 11, onderdelen d, i en j ingezet;
voor jongeren zonder startkwalificatie wordt in beginsel de voorziening genoemd in artikel 11, onderdeel d, ingezet.
voor jongere met een relatief kleine afstand tot de arbeidsmarkt worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 11, onderdelen a,b en e ingezet.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 12
Inzet van de voorzieningen
Onderdeel van Verordening investeren in jongeren