Onder het begrip "rechtsbetrekking" wordt blijkens de parlementaire geschiedenis verstaan zakenrechtelijke verhoudingen (zoals het recht van opstal, recht van erfpacht) en verbintenisrechtelijke verhoudingen (zoals huur, pacht, gebruiksrechten) die betrekking hebben op de beschikbaarheid van grond voor de veroorzaker van bodemverontreiniging en voorts rechtsbetrekkingen waarmee de besluitvorming bij de veroorzaker kan of kon worden beïnvloed. Bij dit laatste gaat het om de mate van zeggenschap in de onderneming (bestuurders/grootaandeelhouders) op het moment dat de vervuiling werd veroorzaakt. Daarbij moet de rechtsverhouding relevant zijn (geweest) voor het ontstaan van de bodemverontreiniging. Bij de terbeschikkingstelling van grond is dat een gegeven. Daarnaast is het moment waarop de verontreiniging is ontstaan van belang. Indien de verontreiniging vóór 1 januari 1975 is ontstaan, zal de mogelijkheid van beïnvloeding in het algemeen hebben ontbroken, vanwege de onbekendheid van het probleem. Indien de verontreiniging ná 1 januari 1975 is ontstaan, moet worden bezien of de eigenaar die een duurzame rechtsbetrekking heeft gehad met de veroorzaker, kan worden aangesproken. Dat hangt af van omstandigheden, zoals:
was de eigenaar op de hoogte van de activiteiten van zijn huurder, erfpachter of anderszins?
bood/boden de overeenkomst of de erfpachtvoorwaarden de mogelijkheid om gedurende de rechtsbetrekking in te grijpen in de bedrijfsuitoefening?
wanneer is de rechtsbetrekking geëindigd? Hoe later dat in de tijd is gebeurd, hoe alerter de eigenaar bij de beëindiging van de rechtsbetrekking had moeten zijn op de eventueel verontreinigende activiteiten van zijn huurder/erfpachter.
Hoofdstuk 5
Artikel 13
Artikel 13
Onderdeel van Bevelsbeleid Wet bodembescherming 's-Hertogenbosch 2009