**1.** Voor zover de verandering van een bedrijf een toename van N-depositie op het beschermd natuurmonument tot gevolg heeft van minder dan 0,051 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3, achten Gedeputeerde Staten dat er voor wat betreft de effecten van N-depositie geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument.
**2.** Indien de maximale N-depositie van de beoogde situatie van het betrokken bedrijf op het dichtstbijzijnde punt van een beschermd natuurmonument (na afronding) ten hoogste 0,1 mol N/ha/jaar bedraagt, achten Gedeputeerde Staten dat er geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument, voor zover het gaat over de N-depositie.
**3.** Voor de gevallen als bedoeld in lid 1 en 2, gelden de bepalingen van artikel 5 t/m 14 van deze beleidsregel niet.
Artikel 4