1 Voor de melding maakt de aanbieder gebruik van een daartoe door het
college vastgesteld formulier, “meldingsformulier”.
2 Bij de melding verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende
gegevens:
a de door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)
afgegeven registratie;
b een uittreksel uit het handelsregister en van de Kamer van
Koophandel;
c naam, adres en telefoonnummer van degene die de kabel in eigendom heeft,
degene die de kabel beheert en degene die de kabel exploiteert;
d een opgave van de soort kabel en het beoogde gebruik;
e welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de
voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de
werkzaamheden;
f een uitvoeringsplan met daarin opgenomen:
een opgave van het gewenste tracé;
een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden
geplaatst, alsmede van de situering daarvan;
een omschrijving van eventuele opbrekingen;
de doorsnede van de kabel of kabelgoot;
de lengte en breedte van de kabelsleuf;
de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare gronden
aanwezige kabels en leidingen;
het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de
werkzaamheden;
naam, adres en telefoonnummer van de aannemer(s) of onderaannemer(s)
die belast is (zijn) met de werkzaamheden en van een contactpersoon
ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden.
3 Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden van een andere
gedoogplichtige dan de gemeente, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van
de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in
kennis gesteld van de uitkomsten van het overleg tussen de aanbieder en de
andere gedoogplichtige.
4 Het college kan nadere regels stellen inzake de gegevens die bij de
melding worden verstrekt.