Evaluatie en periodieke rapportage
Ingevolge artikel 10:6, tweede lid, van de Awb, verschaft de gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. De mandaatgever kan ingevolge artikel 10:8 Awb, het mandaat te allen tijde intrekken. Daarvoor is het voor het ter zake bevoegde bestuursorgaan noodzakelijk te weten op welke wijze de gemandateerde bevoegdheid wordt uitgeoefend. Controle en verantwoording is daarom essentieel. In de rapportage dient verantwoording te worden afgelegd over de wijze waarop met de gemandateerde bevoegdheid is omgegaan. Bij het rapporteren gaat het vooral om het signaleren van afwijkende gevallen en het vermelden van bijzonderheden.
Het evalueren veronderstelt een fundamentele bezinning op de uitoefening van gemandateerde bevoegdheden.
De navolgende vragen/onderwerpen zouden bij de evaluatie aan de orde kunnen komen:
blijft het bestuursorgaan voldoende op de hoogte van hetgeen er speelt;
wordt het bestuursorgaan voldoende gelegenheid geboden tot sturing;
behoeven de beleidskaders bijstelling;
hoe functioneert de terugkoppeling;
bestaat er behoefte aan wijziging (vermindering; aanvulling of uitbreiding) in het pakket van gemandateerde bevoegdheden;
hoe functioneert de periodieke rapportage.