1.Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een
uitweg te maken naar de
weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
weg.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat
artikel 1 van de
Wegenverkeerswet daaronder verstaat.
3.Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en
een foto van de bestaande
situatie overgelegd.
4.Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding
weten of het college aan de
gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het
geheel niet kan worden
gerealiseerd.
Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg
indien door het realiseren ervan:
gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
het wegverkeer ter plaatse;
het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te
worden gemaakt;
de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt
te worden geschaad.
Het college weigert slechts de aanleg van de uitweg
als door de aanleg een voor het verkeer
gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het stellen van
voorschriften kan worden voorkomen.
7.Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na
ontvangst van de melding
op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of
weigering van de aanleg als
bedoeld in het zesde lid.
8.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
Waterschapskeur of het Provinciaal
wegenreglement.
Veiligheid van de weg
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.9a
Maken en veranderen van een uitweg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010