1. a. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
burgemeester de vergunning indien de
vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een
geldend bestemmingsplan of een
geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening.
Hierbij wordt een bij het
horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing gelaten.
b.De burgemeester weigert de vergunning, indien niet wordt
voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3.2a eerste en tweede
lid.
2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
als naar zijn oordeel de
openbare orde gevaar loopt en/of de woon- of leefsituatie in de
omgeving van het horecabedrijf
door de aanwezigheid van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze
nadelig wordt beïnvloed.
3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
weigeringsgrond houdt de burgemeester
rekening met:
a.het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf
is gelegen of zal komen te
liggen;
de aard van het horecabedrijf;
de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
blootstaat of bloot zal komen te staan
door de exploitatie van het horecabedrijf;
d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en houder(s) van
het horecabedrijf in deze of in
andere horecabedrijven.
4.De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde
tijd geheel of gedeeltelijk
intrekken of wijzigen:
a.indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of
onvolledige gegevens en
bescheiden is verleend;
b.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
horecabedrijf de bepalingen in deze
paragraaf, danwel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
overtreedt;
c.indien aannemelijk is, dat de exploitant en/of (één van) de
houder(s) van het horecabedrijf
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten in of vanuit het
horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of
een bedreiging vormen voor
het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;
d.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
horecabedrijf toestaat dan wel
gedoogt, dat in zijn horecabedrijf strafbare en beboetbare feiten
worden gepleegd;
e.indien de exploitant en/of(één van) de houder(s) van het
horecabedrijf zich schuldig maakt aan
discriminatie;
f.indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten
hebben voorgedaan, die de vrees
wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar
oplevert voor de openbare orde
en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de
omgeving van het horecabedrijf;
g.indien op grond van verandering van de omstandigheden of
inzichten, opgetreden na het
verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking
wordt gevorderd door de
belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.
Indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel
2.3.2 a en b gestelde eisen.
De vergunning vervalt, indien de exploitatie van het
horecabedrijf voor een periode van langer
dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is
van een gewijzigde
exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.6
Weigerings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010