Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3. › Paragraaf 1

Artikel 3.1.10

Weigeringsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, indien: de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; indien de vestiging of exploitatie in strijd is met de grond van artikel 3.1.2 bij nadere regels gestelde inrichtings- en bedrijfsvoeringseisen; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.1.4 gestelde eisen. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid,weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, worden geweigerd in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3.1.10a Intrekkingsgronden De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien: a.blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.de ingevolge artikel 3.1.3, tweede lid, onder a in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert; c.de exploitant of beheerder bepalingen in deze paragraaf, de nadere regels bedoeld in artikel 3.1.2 dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt aangetroffen; in de seksinrichting een prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; f.een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostituee of een prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel; g.er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid; h.aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat; i.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd; j.zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf; k.op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van een vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel