De raad benoemt de leden van de rekenkamercommissie.
De raad stelt de rekenkamercommissie in de gelegenheid om over de
benoeming te adviseren.
De leden zijnde tevens raadslid worden voor een raadsperiode
benoemd. De voorzitter, niet zijnde raadslid, wordt voor een periode
van zes jaar benoemd. De raad kan bij benoeming van dit lid
besluiten tot een benoeming korter dan zes jaar.
Leden van de rekenkamercommissie kunnen voor maximaal één periode
worden herbenoemd.
De raad benoemt, op voordracht van de rekenkamercommissie, de
voorzitter van de rekenkamercommissie.
Bij ontstentenis van de voorzitter treedt het langstzittende lid op
als voorzitter dan wel, als de overige leden een gelijke periode
zitting hebben gehad, het oudste lid in jaren.