Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 16

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Etten-Leur

Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder e, de bodem dieper dan 40 cm onder maaiveld te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; a.het een verstoring betreft binnen een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: in historische kernen met een hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 100 m2, of; in een gebied met een hoge archeologische verwachting buitengebied en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 1000 m2, of; in een gebied met een hoge archeologische verwachting bebouwde kom en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 1000 m2, of; in een gebied met een hoge archeologische verwachting voor specifieke aan natte context gerelateerde archeologische resten en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 100 m2, of; in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting buitengebied en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 2500 m2, of; in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting, bebouwde kom en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 2500 m2, of; in een gebied met een lage archeologische verwachting, behalve bij projecten waarvoor een milieueffectrapport gemaakt moet worden (rechtstreekse project-m.e.r.-plicht dan wel project-m.e.r.-beoordeling) en grootschalige projectmatige inrichtingsplannen (zoals aanleg van woonwijken en bedrijventerreinen of inrichting van het landelijk gebied) vanaf 50.000 m2en locaties waar al een bekende archeologische vindplaats is (in het laatste geval geldt het daarvoor geldende beleid) of; in een gebied met een lage archeologische verwachting in een natte context, maar met gunstige conserveringscondities en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 2500 m2, of; in een gebied met een onbekende archeologische verwachting en het te verstoren gebied gelijk is aan of kleiner is dan 2500 m2,of; in ontgronde en afgegraven gebieden, of; in opgehoogde gebieden met een ophogingspakket van tenminste 1 meter dikte en de bodem niet dieper dan 140 cm onder maaiveld wordt verstoord; in een reeds onderzocht gebied en burgemeester en wethouders hebben besloten dat geen vervolgonderzoek nodig is dan wel hebben besloten dat behoudenswaardige vindplaatsen niet aanwezig zijn; in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg ontleend aan de gemeentelijke archeologische beleidskaart dan wel de in het jaar 2000 opgestelde archeologische beleidsadvieskaart; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en die regels worden nageleefd; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn; kan worden aangetoond dat in het gebied reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Het is verboden oppervlaktes op te knippen met de kennelijke bedoeling om zo onder de gestelde ondergrenzen te blijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel