**1..** In deze verordening wordt verstaan onder:
De wet: de Wet werk en bijstand.
Langdurig: een ononderbroken periode van 60 maanden.
Referteperiode: een periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum.
Peildatum: de datum waarop de periode van 60 maanden, als bedoeld in artikel 3 lid 1 van deze verordening, is bereikt.
Laag inkomen: een inkomen dat per maand niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm WWB dan wel de toepasselijke inkomensvoorziening WIJ.
Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede 'een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan' moet worden gelezen 'de referteperiode'. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien. Voor personen tot 27 jaar geldt artikel 7 lid 1 1e gedachtenstreepje WIJ.
WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
WSF 2000: Wet Studiefinanciering.
WIJ: Wet investeren in jongeren.
Gezin: onder het gezin wordt verstaan: de gehuwden tezamen, de gehuwden met de tot hun last komende kinderen en de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.
In deze verordening wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet.
Hoofdstuk I.
Artikel 1
– Begrippen
Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf 2011