Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening leerlingenvervoer”.
Aldus vastgesteld door de raad van Beesel in zijn openbare vergadering van 16 maart 2008.
Griffier, voorzitter
Ir. M.P.H. Jenniskens-Derks van de Ven drs. L.M. Oord
Algemene toelichting:
Het college bepaalt welke wijze van vervoer wordt bekostigd aan de ouders, Uitgangspunt van de
regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Het college kan echter bepalen dat de bekostiging
plaatsvindt voor een andere wijze dan openbaar vervoer.
Indien ouders afwijken van de wijze van vervoer dienen ze hiervoor in principe toestemming te krijgen
van het college. De bekostiging blijft echter gebaseerd op de door het college toegekende wijze van
vervoer.
De toestemming is nodig omdat het college moet afwegen welke wijze van vervoer de goedkoopste is.
In een aantal gevallen kan het namelijk goedkoper zijn de leerling gebruik te laten maken van het door
het college verzorgde vervoer.
Er drietal wijzen van vervoer zijn te onderscheiden:
openbaar vervoer
aangepast vervoer
eigen vervoer
Ad 1 Openbaar vervoer
Als openbaar vervoer is aan te merken: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro,
tram, bus, veerdienst of auto volgens dienstregeling.
Indien de kosten van het openbaar vervoer aan de ouders worden bekostigd, bepaalt het college de
voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer. Immers, het college verstrekt een
vervoersvoorziening (artikel 2, eerste lid). Dit hoeft bijvoorbeeld niet in alle gevallen een
maandabonnement of jaarkaart te zijn.
Ad 2 Aangepast vervoer
Onder aangepast vervoer wordt verstaan vervoer per taxi, per speciale schoolbus, per treintaxi of per
bustaxi.
In veel gemeenten – waaronder ook de gemeente Venlo – is aangepast vervoer georganiseerd
doordat het college een contract heeft afgesloten voor het vervoer van leerlingen.
Ad 3 Eigen vervoer
Met eigen vervoer wordt bedoeld het vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets. Indien ouders
aanspraak maken op bekostiging van de vervoerskosten en de leerling zelf wensen te vervoeren of
zelf laten vervoeren, is toestemming van het college vereist. Indien het eigen vervoer bijvoorbeeld
consequenties zal hebben dat van het dor het college verzorgde vervoer niet optimaal gebruik zal
worden gemaakt, kan het college besluiten geen bekostiging te verstrekken voor dit eigen vervoer.
Hierdoor kan een zo efficiënt mogelijk gebruik van het centraal georganiseerde vervoer gemaakt
worden. Uiteraard is het mogelijk de boven omschreven wijze van vervoer te combineren. Het college
kan dan besluiten bekostiging te verstrekken aan ouders op basis van het zgn. combinatievervoer,
bijvoorbeeld fietsbus (bustaxi en dergelijke). Op deze wijze wordt voldaan aan de wettelijke
verplichting dat het college de noodzakelijk te achten vervoerskosten bekostigt. Bovendien kan op
deze wijze een financieel doelmatig beleid gevoerd worden. Uiteraard gelden ook voor het
combinatievervoer de criteria van reistijd en bereikbaarheid van de school.
Tevens kan hierbij gedacht worden aan bijvoorbeeld een fietsvergoeding voor de maanden april tot en
met september, terwijl voor de andere maanden een andere vergoeding wordt verstrekt.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
ad a
Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wvo, vallen het voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (havo en mavo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en
leerwegondersteunend onderwijs deel van uitmaken.
In de begripsomschrijving wordt het speciaal voortgezet onderwijs (svo) nog genoemd, maar deze
schoolsoort bestaat niet meer in de overgangsregeling (artikel 29)
ad e
Uit jurisprudentie is gebleken dat de rechter ten aanzien van het leerlingenvervoer niet meer uitgaat
van één hoofdverblijf. Leerlingen kunnen twee structurele feitelijke verblijfplaatsen hebben, van
waaruit het college afzonderlijk toetst of er recht is op bekostiging van leerlingenvervoer.
ad f
Het vervoer vindt alleen plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
aangegeven in de schoolgids van de school. Eventuele wachttijd wordt voor de bepaling “totale
reistijd” meegerekend.
ad r
Orthopedagogisch en didactisch centrum (opdc). Bovenschoolse voorziening bedoelt om leerlingen
extra aandacht te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven
ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs.
Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc, kunnen in aanmerking komen voor
leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en
gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor
leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet onderwijs.
ad s
Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en geeft
ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het regulier primair-en voortgezet onderwijs. De
gemeente kan aan de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het regulier onderwijs,
voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte
van die leerlingen.
Artikel 2
Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
Vervoerskosten
Dit artikel bespreekt de toekenning van een vervoersvergoeding door het college op aanvraag van de
ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen. Indien het college het vervoer zelf laat
verzorgen, kunnen zij van ouders verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken. Dit kan
dus zijn vergoeding voor openbaar vervoer, al dan niet onder begeleiding, of aangepast vervoer.
Indien een leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is kan hij zelf een aanvraag voor
leerlingenvervoer indienen in plaats van zijn ouders/verzorgers.
Artikel 3
Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
Dit artikel bepaalt dat bekostiging van de vervoerskosten van de leerling in principe plaatsvindt naar
de dichtstbijzijnde toegankelijke school (openbaar of bijzonder) van de verlangde godsdienstige of
levensbeschouwelijke richting. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt, de school die naar
afstand het dichtst bij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest)
begaanbare, veilige weg.
Een voorwaarde hierbij is dat op de toegankelijke school wel plaats voor de leerling moet zijn en dat
de leerling moet zijn/worden toegelaten tot de desbetreffende school.
De leerling zal indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende school, moeten uitzien naar de
volgende dichtstbijzijnde school.
Een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, een pedologisch instituut of een school voor
langdurig zieke kinderen worden in het kader van de Wet op de expertisecentra aangemerkt als
cluster 4-scholen.
Artikel 5
Aanvraagprocedure
In dit artikel zijn de nadere bepalingen opgenomen omtrent de aanvraag voor bekostiging in de
vervoerskosten. De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:
1.
indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de aanvraag voor 1 mei
voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te worden;
2.
indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de aanvraag gedurende het
schooljaar worden ingediend.
ad 1
Het college geeft voor het nieuwe schooljaar een beschikking af als de aanvraag voor 1 mei is
ingediend bij de gemeente en de aanvraag juist en volledig is ingevuld en voorzien van de
noodzakelijke bijlagen. Indien het aanvraagformulier niet juist en/of volledig is ingevuld, zullen
ouders/verzorgers het aanvraagformulier moeten aanpassen dan wel aanvullen en opnieuw moeten
inzenden. Dit kan tot gevolg hebben dat het niet haalbaar is om de beschikking voor het begin van het
nieuwe schooljaar af te geven. Het college neemt na ontvangst van het juist en volledig formulier
binnen acht weken een besluit.
ad 2
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de loop van het schooljaar een leerling 'van schoolsoort
wisselt', ofwel dat het kind in de loop van het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige
school gaat bezoeken. Ook hier geldt de termijn van een besluit door het college binnen acht weken
na ontvangst van een juist en volledig in gevuld formulier.
Artikel 6
Doorgeven van wijzigingen
Het eerste lid van dit artikel geeft aan dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het
college, die van directe invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Gegevens die
van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere wijziging van:
de reistijd, in verband met veranderingen in bijvoorbeeld het openbaar vervoer;
het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing;
gezinssamenstelling;
gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden van leerlingen;
het adres van de school;
de schooltijden van de school.
Het tweede lid geeft aan dat het college de toegekende bekostiging kan in trekken als daar op basis
van de wijzigingen aanleiding toe is. Zij kennen vervolgens al dan niet opnieuw bekostiging toe van de
vervoerskosten na wijziging. Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft gebeurd dit niet.
In het vierde lid wordt aangegeven dat de ten onrechte ontvangen bekostiging als gevolg van
wijzigingen terug gevorderd wordt of in mindering gebracht wordt bij eventueel nieuwe verstrekking
van bekostiging.
Artikel 9
Bekostiging voor de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school
voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband
Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle onderwijssoorten geldt de
hoofdregel van artikel 3 (eerste lid). Artikel 4 van de WPO bepaalt daarnaast voor speciale scholen
voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
samenwerkingsverband dient te worden vergoed. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde
toegankelijke school van zijn soort te zijn, omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij
gelegen speciale school kan zijn. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen
van een voorziening voor leerlingenvervoer in speciaal onderwijs rekening gehouden met de
toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de
ouders. Daarbij geldt tevens als vereiste de onder artikel 3 lid 2 genoemde schriftelijke verklaring van
de ouders.
Artikel 10
Permanente commissie leerlingenzorg
In dit artikel wordt de rol van de permanente commissie leerlingenzorg (PCL) besproken. In de Wet op
het Primair onderwijs wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg de taak gesteld om een
besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs. Het
college gaat gaan bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uit.
Artikel 12
Bekostiging van de kosten openbaar vervoer ten behoeve van een
begeleider
Dit artikel bespreekt de bekostiging ten behoeve van een begeleider. Men komt voor bekostiging van
een begeleider in aanmerking als:
1.
de afstand tussen de woning van het kind naar de school meer dan zes kilometer bedraagt;
2.
het kind jonger is dan negen jaar;
3.
de ouders/verzorgers genoegzaam aantonen dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
openbaar vervoer gebruik te maken. Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:
de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken;
de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerder malen moet
overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd hiervoor te jong is;
-de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent.
Dit genoegzaam aantonen dient zoveel mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken.
Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de vergoeding van de kosten plaats aan de ouders van de
leerling.
Artikel 13
Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de leerling die een
school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, dient in principe
slechts in uitzonderingsgevallen te worden verleend.
In veel gevallen zal het echter voorkomen dat de leerling gebruik kan maken van door het college
georganiseerde aangepast vervoer.
Uit kostenoverwegingen kan het college bepalen dat de leerling hiervan gebruik dient te maken.
Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat regionale samenwerking met andere
gemeenten tot belangrijke besparingen kan leiden.
Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer wordt verstrekt, indien de afstand van de
woning naar de school meer dan zes kilometer bedraagt, en:
1.
indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan
anderhalf uur onderwijs is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht of
2.
openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling, naar het oordeel van het college, zelf gebruik
kan maken van vervoer per fiets.
Artikel 14
Bekostiging op basis van kosten van eigen vervoer
Artikel 14 geeft nadere regels omtrent de bekostiging van het eigen vervoer.
Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten
vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, fiets etc.) of een leerling die gebruik maakt
van fietsvervoer. De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking komen: voor
openbaar vervoer of voor aangepast vervoer. Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis
van de kosten van openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college
zelf, dan vindt bekostiging plaats op basis van het openbaar vervoer. Indien ouders in aanmerking
komen voor bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer en zij met toestemming van het
college de leerling zelf vervoeren, bekostigt het college een bedrag per kilometer, afgeleid van het
Reisbesluit binnenland.
Artikel 15
Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en
vervoer per fiets
Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor speciaal onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs
geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar (speciale) scholen voor basisonderwijs als
uitgangspunt: bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van
oordeel is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord te
hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere wijze van vervoer voor
bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:
openbaar vervoer onder begeleiding;
aangepast vervoer al dan niet verzorgt door het college;
eigen vervoer;
een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.
Het college kan op grond van het tweede lid van dit artikel bekostiging voor de fiets toekennen als zij
van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
fiets. Hierbij wordt rekening gehouden met:
leeftijd van de leerling;
eventuele handicap van de leerling;
veiligheid van de af te leggen route;
afstand.
Artikel 18
Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat bekostiging op basis
van de kosten van aangepast vervoer in principe uitzondering is.
Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar
vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden.
Indien de leerling, gelet op zijn verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is, ook
niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten
van aangepast vervoer.
Hiervan kan sprake zijn indien:
1.
een leerling een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen bezoekt en zich in een
rolstoel voort moet bewegen;
2.
een leerling een ZMOK-school bezoekt en zijn geestelijke toestand aangepast vervoer
noodzakelijk maakt.
Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een belangrijk criterium
hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd
worden zonder de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen. In veel gevallen zal het door
het college georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.
Het college kan ook, uit financiële-en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking met
buurgemeenten een vervoersregeling treffen, zodat leerlingen uit verschillende gemeenten gebruik
kunnen maken van het door het college georganiseerde vervoer.
Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route verschillende opstappunten
kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke
handicap van de leerling kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt.
Indien er sprake is van centrale opstappunten, kan van de ouders verlangd worden dat zij de leerling,
indien nodig, hier naar toe begeleiden. In veel gevallen zal de afstand woning-opstappunt klein en
veilig te overbruggen zijn.
Artikel 20
Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen
voor (voortgezet) speciaal onderwijs
In het geval een leerling, vallende onder het regime van de Wet op de expertisecentra, gehandicapt is
en recht heeft op aangepast vervoer kunnen ouders ook kiezen voor bekostiging van eigen vervoer.
Artikel 21
Bekostiging van de kosten van het weekeinde-en vakantievervoer
aan de in de gemeente wonende ouders
Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het weekeinde-en
vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging toegekend door het college van de gemeente waar de
ouders woonachtig zijn, en dus niet door het college van de gemeente waar de leerling in het internaat
of pleeggezin verblijft.
Artikel 22a
Bekostiging kosten naar een locatie voor buitenschoolse opvang
Ouders dienen zelf afspraken te maken met de vertegenwoordiger van de buitenschoolse opvang
organisatie aangaande de begeleiding en opvang van de leerling zodra de leerling de bus heeft
verlaten teneinde deel te kunnen nemen aan buitenschoolse opvangactiviteiten.
De verantwoordelijkheid voor een goede opvang van de leerling op het door de ouders aangegeven
buitenschoolse opvang adres blijft een verantwoordelijkheid van de ouders, zij kan nimmer gelegd
worden bij de vervoerder/chauffeur en/of het college.
Artikel 22b
Bekostiging naar een buitenschoolse opvang locatie
Vergoeding van kosten naar een buitenschoolse opvanglocatie vindt alleen plaats indien
deze worden gemaakt direct aansluitend aan de reguliere eindtijd van de school (volgens de
schoolgids), die de leerling bezoekt. Vervoerskosten gemaakt in verband met voorschoolse
opvang en vakantieopvang worden niet vergoed. Vervoer naar een buitenschoolse opvang
locatie dient volgens een vast rooster plaats te vinden en dient per schooljaar gelijk met de
aanvraag voor leerlingenvervoer aangevraagd te worden. Geen vervoer is mogelijk van de
buitenschoolse opvanglocatie naar de woning van de leerling.
Het college draagt geen enkele verantwoordelijkheid gedurende de periode dat de leerling de
schoolbus heeft verlaten en het binnengaan van de locatie waar buitenschoolse opvang wordt
verzorgd. De bij de aanvraag behorende bijlage dient door de aanvrager ondertekend te worden.
Ouders zijn zelf verantwoordelijk, zij dienen hierover met de buitenschoolse opvang organisatie
afspraken te maken.
Artikel 22c
Einde bekostiging naar een buitenschoolse opvang locatie
Indien de leerling de school verlaat dan wel in de loop van het schooljaar zelfstandig naar
school gaat kan geen aanspraak meer worden gemaakt op vervoer naar een buitenschoolse
opvanglocatie.
Artikel 23 tot en met 25
Door toevoeging van deze artikelen wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
primair en voortgezet onderwijs die niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen
maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer. Gemeenten kunnen aan de ambulante
begeleider die verbonden is aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies
vragen over passend vervoer voor deze leerlingen. (zie toelichting artikel 1)
Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen naar een school voor
speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc,
kunnen op basis van de overgangsregeling (zie artikel 29) aanspraak blijven maken op die
voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken.
Artikel 27 Afwijken van bepalingen
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten
gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening.
Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met
deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel
4, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4, tiende lid, van de Wet op de
expertisecentra.
Artikel 29 Overgangsregeling
In het eerste lid wordt gesproken over een bruikleenauto of leefvervoervoorziening. Deze voorziening
zijn aan te vragen bij en worden verstrekt door het Gak en niet de gemeente.
Met een “gelijkwaardige voorziening” wordt bedoeld dat leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 op
basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het schooljaar 2002-2003 van de gemeente
bekostiging openbaar vervoer of openbaar vervoer met begeleiding mogen krijgen. Ook zal het
vervoer in een busje door de wetgever niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel
mogen gemeenten in gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met elkaar
combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen elk een individuele taxivoorziening
naar dezelfde school ontvangen en de twee ritten, zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel
van ondervinden, kunnen worden gecombineerd.
Ook zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een school die niet de
dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de betrokken leerling. In de Wet Rea wordt dit criterium
namelijk niet gehanteerd.
In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een opdc. Zie hiervoor ook de
toelichting op artikel 1.