**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan op aanvraag van een ingezetene, - indien het inkomen van zijn/haar huishouden zich op de peildatum bevindt op het niveau van het op hem/haar van toepassing zijnde sociaal minimum en; - indien het vermogen van zijn/haar huishouden, vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk III, paragraaf 3.4 van de Wet Werk en Bijstand, niet groter is dan het op grond van artikel 34 van de Wet Werk en Bijstand buiten beschouwing te laten bescheiden vermogen:
een bijdrage verlenen voor betaling van de opgelegde aanslag rioolrechten en afvalstoffenheffing over het betreffende jaar;
een bijdrage verstrekken in de studiekosten van die kinderen waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen ten bedrage van € 25,- per kind per jaar in het basis- en voortgezet onderwijs tot 18 jaar;
een bijdrage verlenen voor culturele, maatschappelijke en/of sportactiviteiten tot een bedrag van €.100,- per gezinslid per jaar
**2.** Een vastgestelde én feitelijk teveel uitbetaalde bijdrage als gevolg van verhoging van het inkomen of vanwege verhuizing of anderszins wordt niet teruggevorderd, tenzij dit is ontstaan door bewust onjuiste opgave van inkomen en/of vermogen.
**3.** De bijdrage op grond van het eerste lid sub a. worden zoveel mogelijk verrekend met de door aanvrager en diens huishouden nog verschuldigde aanslag rioolrechten en afvalstoffenheffing.
**4.** De bijdragen op grond van het eerste lid sub b. en c. worden ineens betaald op grond van aanvra(a)g(en) in een bepaald jaar. Bij aanvr(a)g(en) in daaropvolgende jaren dient de aanvrager desgevraagd aan de hand van bewijsstukken de bijdragen van voorgaande ja(a)r(en) te kunnen verantwoorden.