Het in artikel 9, eerste lid, bedoelde verbod geldt niet voor:
het storten, dempen, ophogen en egaliseren ten behoeve van de uitvoering of het onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang, mits deze handelingen:
plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of
zijn aangewezen in een bestemmingsplan; en
voor zolang die uitvoering of dat onderhoud duurt.
het storten, dempen, ophogen en egaliseren op een in een bestemmingsplan aangewezen bouwperceel, waarop onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, voor zolang deze handelingen duren.
stortplaatsen die in een bestemmingsplan zijn aangewezen of zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet.
het storten, ophogen en dempen ten behoeve van rijpaden in agrarische weide en akkerpercelen en het leggen van dammen met duikers van maximaal 5 meter breed.
een stortplaats of een rommelterrein onmiddellijk grenzend aan een agrarisch bedrijf, voor zover aantoonbaar noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en mits het materiaal of materieel voortkomt uit agrarische productiemethoden van het bedrijf of bestemd zijn voor de verwerking in het agrarische productieproces van het bedrijf en op dat terrein aanwezige:
rijkuilen, sleufsilo’s en al dan niet in plastic gewikkelde hooi/kuilgras balen zijn afgedekt of gewikkeld met of in plastic folie van een in landschap passende donkere kleur;
en
er maximaal één hoop grond van maximaal 50 m3 op het terrein ligt.
f. het storten, ophogen en egaliseren voortvloeiende uit een vergunning of vrijstelling krachtens de Ontgrondingenwet voor zover deze werkzaamheden op het perceel plaatsvinden waarop die vergunning betrekking heeft.
g. het dempen van watergangen in gebieden aangegeven op een door Gedeputeerde Staten vastgestelde waardenkaart.
h. het storten van en ophogen en egaliseren met baggerspecie, vrijkomend uit normaal onderhoud van watergangen, mits:
de baggerspecie gelijkmatig aan één kant over de naast de watergangen gelegen percelen of op het erf wordt verspreid, waarbij aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten of geulen in stand worden gelaten;
losse plantenresten boven aan het sloottalud worden neergelegd;
het oorspronkelijk maaiveld met niet meer dan maximaal 10 cm wordt verhoogd; en
de baggerspecie niet wordt gestort op slootkanten die in agrarisch natuurbeheer zijn.
het storten van grond, heideplagsel en bosstrooisel ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen buiten de groene contour mits:
de werkzaamheden maximaal 2 weken vooraf worden gemeld bij Gedeputeerde Staten door middel van een (digitaal) beschikbaar gesteld meldingsformulier en na aanvang binnen vier weken zijn afgerond;
ze niet plaatsvinden in het weidevogelbroedseizoen van 15 maart tot 1 juli;
gestorte hopen binnen 24 uur na aanvoer worden verspreid en geëgaliseerd, waarbij aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten of geulen in stand worden gelaten;
de opgehoogde en egaliseerde percelen voor inklinking niet meer dan 10 cm hoger liggen gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen; en
grond gestort wordt volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen.
het storten van bagger in een baggerdepot gelegen buiten de groene contour, mits:
het depot niet is aangelegd op een aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevol terreingedeelte;
het depot maximaal 1.50 meter hoog is gemeten vanaf maaiveld;
na inklink de bagger en de opgeworpen kaden rondom het depot gelijkmatig worden verspreid, waarbij aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten of geulen in stand worden gelaten; en
het perceel of de percelen waar het baggerdepot zich bevond na ophoging en egalisatie niet meer dan maximaal 10 cm hoger liggen gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen.
voor het storten van takhout ten behoeve van takkenwallen en takkenrillen, mits:
deze worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand;
het materiaal afkomstig is van de houtopstand en niet verder dan 250 meter daarvandaan wordt aangelegd;
actuele of potentiële natuurwaarden worden versterkt;
deze aan de voet maximaal 1 meter breed zijn en maximaal 1,50 meter hoog gemeten vanaf het maaiveld; en
deze geen boomstammen of -takken bevatten met een diameter van 8 cm of meer of boomstronken.
het storten van grond ten behoeve van een wallichaam in tuinen, mits;
een aaneengesloten aan de tuin grenzend landschapstype niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit een cultuurhistorische basis bepaald vanuit beleidsdocumenten;
aanwezige bomen niet in het wallichaam komen te staan;
het wallichaam wordt ingeplant met een gebiedseigen beplantingsmengsel; en
het wallichaam, exclusief beplanting, aan de voet maximaal 2 meter breed is en maximaal 1 meter hoog gemeten vanaf het maaiveld.
Hoofdstuk
Artikel 10