Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 1

Begrippenkader

Onderdeel van Treasurystatuut 2007 Gemeente Buren

1. Derivaten.Een derivaat is een product dat geen directe contante waarde vertegenwoordigt. Zo is een aandeel geen derivaat, maar een optie op dat aandeel wel. Een veel voorkomende vorm is de termijntransactie. Dat is een belofte om na een afgesproken tijd een transactie uit te voeren tegen een van tevoren vastgestelde prijs. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico's te sturen en financieringskosten te minimaliseren. 2. Financiering. Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen (reserves en voorzieningen) als vreemd vermogen. 3. Financieringsparagraaf. Het begrotingsonderdeel cq rekeningsonderdeel waarin het beleid voor het komende jaar wordt vastgelegd resp. waarin verantwoording wordt afgelegd van de realisatie van het voorgenomen beleid. 4. Geldstromenbeheer. Alle activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer); Door middel van geldstromenbeheer proberen we een gelijkmatig patroon van betalingen en ontvangsten te creëren. 5. Intern liquiditeitsrisico. De risico's van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen. 6. Kasgeldlimiet. Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. De totale kortlopende schuld van een gemeente mag niet boven dit grensbedrag komen. 7. Koersrisico. Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen. 8. Kredietrisico. De risico's op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit (b.v. faillissement). 9. Liquiditeitenbeheer. Het financieren en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar. 10. Liquiditeitenplanning. Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid. 11. Rating. De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier. 12. Relatiebeheer. Dit beheer omvat het onderhouden van relaties met instellingen in het kader van de uitvoering van het treasurybeleid. 13. Renterisico. Het gevaar van ongewenste veranderingen in de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen. Ongunstige rentecondities kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de financiële gezondheid van de organisatie. De renterisico's zijn onder te verdelen in primaire en secundaire risico's. Onder het primaire renterisico wordt verstaan het gevaar van rentestijgingen als sprake is van financiering tegen een variabele rente. Stijging van de rente betekent hogere kosten. Het omgekeerde geldt bij beleggingen. Onder het secundaire renterisico wordt verstaan het niet kunnen profiteren van een gunstige renteontwikkeling omdat de rente voor een langere periode vaststaat. 14. Renterisiconorm. Deze norm geeft een waardeoordeel over het renterisico op langlopende geldleningen. Het betreft een door de minister vastgesteld percentage van de vaste schuld bij aanvang van een jaar. Het totaal van de herfinancieringen (aflossingen) plus de renteherzieningen (a.g.v. variabele rente) mag niet boven de norm liggen. 15. Rentetypische looptijd. Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding. 16. Saldobeheer. Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen. 17. Rentevisie. Toekomstverwachting over de renteontwikkeling. 18. Solvabiliteitsratio. Status die door een bancaire toezichthouder in de Europese Economische Ruimte (lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend. 19. Treasurybeheer. De uitvoering van de treasuryfunctie binnen de kaders van het treasurystatuut. 20. Treasurybeleid. Vastlegging van de uitgangspunten, doelstellingen op het gebied van treasury. 21. Treasuryfunctie. De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico's. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer. 22. Treasurystatuut. Het document waarin de uitvoering van de treasuryfunctie is vastgelegd. 23. Uitzetting. Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

Rechtspraak bij dit artikel