Het inkomen van de belanghebbende moet worden ‘afgezet’ tegen de fictief voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Alleen het inkomen boven die bijstandsnorm kan toegerekend worden aan de draagkracht voor de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand. Voor de vaststelling van de draagkrachtruimte wordt het netto inkomen verminderd met:
De werkelijke woonlasten, voor zover die meer bedragen dan het voor eigen rekening blijvende bedrag op grond van de Huursubsidiewet voor de laagste inkomenscategorie[1].
Wettelijke betalingen voor levensonderhoud (alimentatie) t.b.v. de (ex-)partner en kinderen tot 21 jaar die niet tot het gezinsverband van de belanghebbende behoren.
De voor eigen rekening blijvende kosten i.v.m. noodzakelijke studie of opleiding van kinderen (o.a. ouderbijdrage WSF).
De voor eigen rekening blijvende buitengewone verwervingskosten i.v.m. het verkrijgen of behouden van arbeid, die voor bijzondere bijstand in aanmerking zouden komen.
Eigen bijdragen o.g.v. de AWBZ.
Vervolgens wordt dit draagkrachtloos inkomen afgezet tegen de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) of 120% hiervan (afhankelijk van de soort bijzondere bijstand). Er wordt geen rekening gehouden met toegepaste verlagingen op grond van de Afstemmingsverordening (dit zou het effect van de verlaging teniet doen).
Zie voor een rekenvoorbeeld onder 6.2 Buitengewone lasten
Hoofdstuk 6
Artikel 5
Vaststelling draagkrachtruimte
Onderdeel van Besluit nadere regels bijzondere bijstand Wwb gemeente Buren